Stel cookie voorkeur in

Onderzoeksreeks Kennisnet

BRON: Kennisnet

Wat weten we over … ict en rekenen in het basisonderwijs

Kennisnet Onderzoeksreeks, nr. 34

Op veel basisscholen is digitaal rekenmateriaal aanwezig, maar niet alle leraren maken er effectief gebruik van. Voor hen is het geen  geïntegreerd bestanddeel van de rekenles maar een toevoegsel. Deze publicatie wil hun de helpende hand bieden door een antwoord te geven op drie vragen:

  • Met welke criteria kunnen scholen en leraren een geschikt programma selecteren?
  • Welke rekenprogramma’s voor de basisschool zijn er en wat zijn de kenmerken ervan?
  • Hoe kunnen leraren een computerprogramma effectief gebruiken?

Aan welke criteria voldoet een effectief rekenprogramma?

Er zijn vijf criteria om de inhoud van de digitale rekenprogramma’s te beoordelen:

  1. Het programma biedt leerstof die aansluit bij de leerlijn en het niveau van de leerling
  2. Het programma geeft korte, visueel ondersteunde, uitleg
  3. Het programma geeft korte, inhoudelijke feedback
  4. Het programma is motiverend
  5. Binnen het programma hebben de leerlingen keuzevrijheid

Wat voor rekenprogramma’s voor de basisschool zijn er?

De 134 algemene oefenprogramma’s geven heel weinig instructie en besteden het oefenmateriaal voor 80% aan getalbegrip en cijferen. 25% bevat toetsen en in ruim 80% kan de leraar de antwoorden van de leerlingen zien (maar niet hun aanpak). 60% geeft de fouten aan, maar lang niet allemaal helpen ze de leerling met aanwijzingen om het beter te doen. Een klein gedeelte (niet meer dan 15%) biedt de mogelijkheid om het programma aan te passen aan het niveau van de leerling.

Wat hun effectiviteit betreft:

  1. De programma’s sluiten niet aan bij een leerlijn, de leraar moet de aansluiting zelf tot stand brengen.
  2. De programma’s geven weinig instructie.
  3. De meeste programma’s geven alleen aan of een antwoord goed of fout is.
  4. De programma’s zijn meestal makkelijk te bedienen en geven vaak prestatieoverzichten van de leerlingen. Het is niet bekend of ze er graag mee werken.
  5. De keuzevrijheid van de leerlingen is niet groot.

 
De zes methodegebonden programma’s zijn opvallend homogeen: alleen Wizwijs (Zwijsen) geeft minder instructie en feedback en past de oefeningen niet automatisch aan het niveau van de leerling aan.

Wat hun effectiviteit betreft: 

  1. De programma’s komen goed overeen met de lessen in de rekenmethode, maar bieden weinig extra’s voor goede rekenaars.
  2. De methodegebonden programma’s geven wat meer instructie dan de algemene oefenprogramma’s, maar ook hier moet de leraar bijspringen.
  3. De programma’s geven niet alleen aan of een antwoord goed of fout is, maar bieden leerlingen ook hulp.
  4. De programma’s zijn meestal makkelijk te bedienen en geven vaak prestatieoverzichten van de leerlingen. Het is niet bekend of leerlingen er graag mee werken.
  5. De keuzevrijheid van de leerlingen is niet groot.

Al met al voldoen de methodegebonden programma’s beter aan de effectiviteitscriteria dan de algemene oefenprogramma’s.

Veel programma’s voor kennisconstructie zijn er nog niet, ongeveer 5%. We hebben drie programma’s uitgekozen die hier aandacht aan besteden.
 
Building Blocks is bestemd voor groep 2 en 3 van de basisschool. De computer is gecombineerd met blokken, liedjes, verhalen en puzzels. Met bijvoorbeeld rozijnen op koekjes raken de leerlingen vertrouwd met begrippen als ‘gelijk aan’ en ‘verschillend van’. Ook het vrij ontdekken zit in het programma, omdat de kinderen zelf vragen mogen bedenken die hun klasgenoten beantwoorden.
 
Eurowijs gaat over geld en is bestemd voor kinderen van 9 tot 12 jaar. Voordat het spel begint, kiezen ze iets waarvoor ze willen sparen. Tijdens het spel komen ze in allerlei praktische situaties terecht waarin ze de keus moeten maken: geld uitgeven of niet?
 
Takentrap Rekenen wil leerlingen in groep 6 en 7 helpen om zelfstandig toepassingsopgaven op te lossen. De trap heeft vier treden: (1) ik lees heel goed, (2) ik maak een plan, (3) ik check mijn antwoord, (4) wat leer ik ervan? Als de leerling niet het goede antwoord vindt, kan hij om hulp vragen.

Wat laten deze programma’s zien?

  • Kennisconstructie bouwt voort op kennis die de leerlingen al hebben verworven.
  • Leerlingen hebben hulp nodig, geen stap-voor-stapinstructie maar hints
  • en feedback.
  • Leerlingen mogen wel keuzes maken, maar binnen de hoofdlijnen die het
  • programma bepaalt.

Hoe kunnen leraren het programma effectief gebruiken?

Oefenen op de computer werkt het best wanneer de leerlingen eerst instructie krijgen. De leraar gaat bij de voorbereiding na: welke opgaven uit de methode bied ik als voorbereiding op het werken met de computer, hoe ga ik na of de leerlingen de instructie hebben begrepen, welke opgaven laat ik oefenen met de computer en welke opgaven kies ik voor mijn wekelijkse toetsles?

De voorbeeldlessen omvatten een lesweek:

  • Instructie door de leerkracht
  • Verwerking met de computer
  • Toetsles
  • Herhalingsles

Ten slotte een paar tips voor de leraar:

  • Gebruik de mogelijkheden van het digibord om oplossingen te bespreken
  • Gebruik het registratiesysteem van de programma’s voor een overzicht van de vorderingen
  • Gebruik het beheersysteem: laat de leerlingen gedifferentieerd oefenen
  • Maak en controleer de beurtenlijst voor computergebruik